Verbrand huis

 Vanmiddag maakte ik met Frank Halmans een rondgang door zijn verbrande huis. En ondervroeg hem.

 Het huis is een verhaal. Opgesteld in z'n atelier in Bunnik. Frank is een echte lezer. Brakman en Nescio koestert hij. Hij maakt boeken waar je heel let­terlijk in kunt doordringen omdat er ramen in de pagina's zitten. 

 Maar die binnenbrandjes - meer is het niet geweest, zeker geen uitslaande brand. Door de maker aangericht in zijn perfect uitgevoerde miniatuurinterieurs. Vanwaar? Een verkoold eenpersoonsbed, hooguit een twijfelaar. Een zitkamer met twee verkoolde fauteuils en geblakerde tv. Er was bezoek. Dit was een literaire brand, beaamt hij. Er moest iets worden opgeruimd, uitgerookt. Wat? Daarover zwijgt hij glimlachend.

 Het huis was hem kennelijk niet genoeg. Er staat nu ook een miniatuur schildersatelier naast, gebouwd, alleen om in de fik te kunnen steken. Het huis zal te zien zijn in het nieuwe Armando-museum op het landgoed Oud-Amelisweerd vanaf 7 september.

Philip Larkin (1922-1985)

Taal

 Om met Willem Brakman te spreken: 'Omsk, Tomsk, Irkoetsk, wij verblijven in de taal. 'Een ander onderkomen is er niet. Het moet onderhouden worden ook. Gaten dichten die onverlaten er steeds in schieten. Taal is oorlog.

 Eens had ik onenigheid met Johnny van Doorn over een woord, bij het doorploegen van een manuscript. Het woord was 'subtiel'. Ik zei 'als je dat laat staan is het boek dood'. Ik meende het. Het ging er uit. In de jeugd aangereikte taal is de mooiste. Vaak denk ik 'moederwoord' of 'vaderwoord'. Soms waaien moederwoorden als rozenblaadjes op me af. Dan is het 'geen doen', 'doodaf' of 'lammenadig' voor en na. Ze zei ook 'mart' inplaats van 'markt', ze kwam uit het Haagse Bezuidenhout.

 Dit voor wie de Oude Wereld gekend heeft, toen pech nog heel gewoon was. Mijn dichter van de oude wereld is Philip Larkin (1922-1985):De grote koele winkel voor goedkope klerenin simpele maten duidelijk uitgestald(gebreid goed, zomerkleding, kousenin bruin en grijs, kastanje, donkerblauw)roept voor ons op de doordeweekse wereldvan wie bij dageraad het kleine huis verlaten, op tijd voor scheepswerf, bouwplaats of fabriek. Maar achter overhemden en de broekenstapelskrijgt men de Mode voor de Nacht te zien:dun als blouses, met machinaleborduursels, geel, mosgroen, roze,liggen Bri-Nylon baby-dolls en slipjesluchtig bijeen. Aannemen dat zij dezewereld delen, bedenken dat er iets in zitdat bij hun soort hoort, heeft bewezen hoe afgezonderd en onaards de liefde is,of vrouwen zijn, of wat zij doen,of in ons jong onwerkelijk verlangenlijken te zijn: synthetisch, nieuw,wezenloos door extase bevangen (vert. Jan Eijkelboom, The Large Cool Store, 1964)