Dingheid

 Verder neuzend in het net verschenen grote boek 'hoe de dingen ons bewegen' kom ik bij Anneke Brassinga die als kind al de waarneming en benaming van voorwerpen - zoals die haar door vol­wassenen werd voor­gedaan - wantrouwde.

'...uit die twijfel groeide de vraag of de mensen om mij heen niet in een volstrekt andere wereld van gewaarwordingen verbleven dan ik...'. Omdat ze nog te klein was om door het raam naar buiten te kijken moest ze maar vertrouwen op andermans waarneming.

 Bij mij sloeg de twijfel toe toen het buurjongetje met wie ik opliep zei: 'Je verliest wat...'. Toen ik de stoep achter me afspeurde en hem vragend aankeek zei hij giechelend: 'Je voetstap.' En bracht me in een verwarring die tot vandaag voortduurt. De voetstap die ik net nog had neergezet op de stoeptegels was onnaspeurbaar verdwenen.

 Een voetstap was geen ding. Wat wel? Zo betrad ik de wereld van de onzekerheden. Zoals mijn schoenmaat, die steeds groeide. Mijn lengte, die met streepjes op de deurpost werd bijgehouden en steeds veranderde. Van niets was je zeker. Erger werd het toen ik vreemde talen hoorde. En de dingen zich losmaakten van hun namen.

 Anneke Brassinga redde zich door zich te hechten aan wat ze noemt 'De dingheid der dingen': 'Alsof zelfs datgene wat door mensen en machines gemaakt is, los daarvan, en los van hun bruikbaarheid een individualiteit bezit, zoals ook de woorden, los van hun gebruik, naar mijn gevoel een eigen leven leiden.'

 

Aan zee

 Vandaag de laatste dag van Poetry International. Voor mij onbereikbaar. Wie ik onder meer miste was Anneke Brassinga, met wie ik eens haar bossen van herkomst opzocht, Schaarsber­gen. Nu zie ik haar op de site van Poetry met zee. Twee keer zee van een bosvrouw. Eerst 'Aan zee':

 De wind weegt de woorden/ bevindt ze te licht/ de wind huilt, veegt de woorden/ van tafel, uit het zicht

 het stormvogeltje dat ze opslikt/ zal stijgen tot de hoogten/ van de reuzenalbatros/ of alleen nog willen krijsen/ zoals ik, bestoven aap op stok.

 En dan 'Elementa':

 Als ieder ogenblik een ongekend begin is/ van nasleep die pas over eeuwen/ licht zal werpen op dit nu -

 zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,/ amechtig arriverend, veel te laat./ Waar kunnen we dan nog over praten? 

 Alleen de lokstem van het water zwatelt/ in strikt hedendaagse taal, geen touw/ aan vast te knopen; zeker niet

 op het razende tijdstip van je verschuimen/ in een onophoudelijk liggen gaande/ onophoudelijk weer opstekende storm.

Allebei uit: Wachtwoorden (2005) 

Dingenboek

 Eind dit jaar verschijnt een boek: Hoe de dingen ons bewegen. Vertrouwde voor­werpen in een ander daglicht gezet door onder meer Anneke Brassinga, Dick Tuinder, K.Michel, Marjolijn van Heemstra, Piet Meeuse en vele anderen, ook kunstenaars en wetenschappers. Plaatjes en gesprekken. Dingen die ons bewegen? Ja een manke tafelpoot verandert het gesprek.

 Caroline Ruijgrok (1984) en Bernke Klein Zandvoort (1987) organiseren wat deze zomer begon met de tentoonstelling Something Thrown in the Way of the Observer, in Museum Van Loon en eindigt met het boek waarvoor nu de fundraising en intekening is begonnen. Ik doe mee. Mijn ding bleek het huis. Vast een stukje: 

 ‘Huizen hebben mij veel angst aangejaagd, ik kan ze niet de baas. Dit gaat over een bezetenheid. Over angst ondergebracht in materie. Hoe woon je in angst? Ik moest geld lenen om onderdak te komen. Van een bank, van ouders. Ik bezocht de notaris en tekende voor een huis uit 1890. Om mij heen werd gesloopt. Naast mij verdween een rij van vijf. De laatste Mohikaan was de Indische buurman met het gebatikte doekje om z'n voorhoofd, die op zijn overgebleven onderverdieping ‑ boven hem was niets meer ‑ bami en nasi bleef ser­veren tot het dichttimmeren. Achter me brandde een rij uit waar Marokkanen woonden. Ik zag gillende hoofddoekvrouwen op balkons. Er verrees nieuwbouw naast en achter me. De sociaaldemocraten hadden heel deze buurt weggewenst. Revolutiebouw was het, door geweten­loze ondernemers volges­tampt met halve woningen in timmermansrenaissance. Met gruwel­ijke or­namentiek in glas‑in‑lood, giet­ijzer en kolenk­alk. Slecht gefundeerd. Ik kocht een huis voor de sloop.’

(...)

 Het boek komt. Schrijf in, maak over en lees verder in december. 

De woorden van Anneke Brassinga

 In haar net verschenen boek 'Grondstoffen' vertelt met de P.C.Hooftprijs bekroonde Anneke Brassinga haar taalgeschiedenis. Hoe ze met taal kennismaakte en leerde omgaan. En hoe daar vertalen, dichten en schrijven van kwamen. Heel nabij.

 'Als kind heb ik lang gedacht dat je pas iets mocht zeggen als je wist wat het betekende Ik zei dan ook nagenoeg niets, intussen vlijtig lezend, in de veronderstelling dat me daardoor zou worden opgehelderd wat de bedoeling was van deze ongelooflijk ingewikkelde wirwar...'.

 Wat ze opriepen, hoe ze uit te spreken. En dan schrijft ze:

 'Ze zeiden zichzelf vanuit een onheuglijk bestaan, zelfs als je geen flauw idee had hoe ze moesten worden uitgesproken. Woorden en zinnen waren dingen, levende dingen die losstonden van iemands verhaal: hun eigen macht en bezieling ging veel verder dan ieder gebruik dat wie dan ook ervan maakte. Gelukkig maar, want al die verhalen van al die schrijvers in al die boeken brachten me op het spoor van een melancholiek stemmend inzicht: iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid, in zich en om zich heen.’

 Volgt haar conclusie: ‘Ik nam een kloek besluit: vertaler te worden.' Anneke sloot een verbond met de woorden.

 Zo'n boek als ‘Grondstoffen’ gooit de lezer ook op zichzelf terug. Bij mij was het anders. Bleven woorden aanlokkelijke, bedri­eglijk glanzende vijan­den die ik moest bedwingen. Ik schreef lesjes over die ik me herinner als vernederend, pagina’s lang. De onfeilbare rode pen streepte door en verbeterde. Onverdraaglijk. Ik moest foutloos leren lezen en schrijven. Ik las alles, overal. Kwam thuis en zei: 'Op het huis aan het kanaal staat 'safe de brug'. 

 Donderend gelach van de volwassenen. Ik schaamde me zo diep dat ik het nu nog weet.

 'Er staat café, maar dat heb je nog niet gehad.'.

 Er zat niet anders op dan zo snel mogelijk volwassen worden. Maar nog wantrouw ieder woord dat ik lees of schrijf. 

De zee van Anneke Brassinga

 Donderdag krijgt ze de P.C.Hooftprijs. Voor mij duidelijk genoeg waarom. Bij al het andere schreef ze dat ene, het gedicht over de zee. Terwijl ze toch uit Schaarsbergen komt. Wie de waterlijn kent weet dit. De kust:

Zomin als met de stenen en het gras

of gindse afgewaaide hoed

valt er te praten met je lichaam van albast

 

dat als wolk vermomd

komt aangedreven. Duizend meeuwen op hun zand

slobberen messenscheden leeg, krakélend.

 

Woorden zijn gruis in een taalloos kabaal,

zelfs mijn knie

snapt niet wat ik zeg,

 

laat staan dat jij

ver achter de heersende waterige afgrond

iets ervan zou horen.

 

De zee een bed vol zijden kwasten

alsof daar ooit nog

rust te vinden is.

 

II

Een ijskoud oog, zo kan ik het ook -

zee zijn, omslaan met langgerekte traag gewelddadige

deining mee, als of er een eind zal komen

 

aan de oneindige reeks voorbije momenten en

verzuipingen in stilstaand water: vloed gestuit

tegen de kust maar rats de trechter in

 

terug naar wezenloze diepten. Mag ook een wees

weten hoe het is - voortgebracht te zijn,

in de weerstroom te vergaan.

Trapeze

 Heet dit gedicht van Deborah Digges, vertaald dor Anneke Brassinga in haar nieuwe bundel Het wederkerige. De Amerikaanse Deborah Digges (1950-2009) pleegde zelfmoord door van een hoog gebouw te springen op de campus van Amherst University, Massachusetts. Er verschenen van haar vier bundels. Anneke vertaalde verscheidene gedichten.

Zie hoe het eerste donker de stad in de armen sluit

en wegdraagt naar wat wij gisteren de toekomst noemden.

 

O, de stervenden, wat een acrobaten zijn het.

Hier moet je de boot nemen van de ene dag naar de volgende,

 

of de dwarsliggers grijpen van de brug, hand over hand.

Maar zij zeilen als een slinger tussen eeuwigheid en avond,

 

duiken, herwinnen zich, balanceren in de lucht.

Wie kan op dit uur meeuwen onderscheiden van spreeuwen,

 

wind van draaideuren of stromingen buiten de rivier.

Sommigen, als kinderen op schommels, zwoegen hoger en hoger.

 

Roep ze niet terug roep ze niet binnen voor het eten.

Zie, slijtplekken maken ze, als vliegtuigstrepen aan de hemel.

De tombe van Anneke Brassinga

 Het ochtendnieuws zegt dat Anneke Brassinga de P.C. Hooftprijs krijgt. Al dagen ligt haar nieuwe bundel 'Het wederkerige' naast mijn toetsenbord. Vanavond zal ik aan Anton de Goede in het Torpedotheatertje aan de Pieterspoortsteeg mijn radioverhaal vertellen.

 Waarin Anneke jarenlang rondwandelde. Laatstelijk in 2011 toen ze me twee uur lang meenam naar haar jeugd in Schaarsbergen. Nog steeds te beluisteren in het Avonden-archief. Dan hoor je hoe radio kan gaan. Zeggen wat je denkt. Het hart op de tong. Niet eenvoudig om het daar te krijgen. Net zo min als op het puntje van de pen. 

 Wij gingen op weg naar haar geboortehuis, diep in het bos bij Schaarsbergen. Het huis waar ze leerde lopen, waar haar ouders gelukkig waren maar van waar ze na een jaar weer ver­huisden. Haar geboortejaar (1948) waar ze zich niets van herinnert was hier bewaard 'als in een graftombe', zei ze vooraf. Eenmaal daar praatte ze over haar jeugd, haar leven en schrij­ven 'waar alles van afhangt' als een barones van Münchhausen.

 Er was naar het scheen een oude kunstschilder in dat huis getrokken. Wij vonden het, aan het eind van een weg het bos in, bij een heitje. Met rondom gesloten deuren. Worstelden ons door het struikgewas. Tot er een deur openging en een oude heer in kamerjas verscheen. De schilder, die er nog steeds woont liet ons binnen en Anneke zag het interieur dat hij, zei hij, volstrekt ongewijzigd had gelaten. Wij keken rond in Annekes onherinnerbare jeugd. De microfoon keek mee.

 Anneke en ik waren verre buren, ze woonde hoog boven het Sarphatipark, waar ze nooit kwam. Alleen die zeldzame keren, zei ze, dat ze zichzelf 'het park waardig keurde'. Kortgeleden verhuisde ze. 

Anneke Brassinga's ontsnappingen

 'Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,

abstract van aard, uitsluitend zich bekommert

om zichzelf, zoals miraculeus geopenbaard wordt

zodra iemand maar wat kletst omwille van

 

 de conversatie - dan knikkeren de woorden

in hun eigen ongehoorde glans

om bovenaardse buit en laten zich

daarbij door ons gepondereer niet storen.'

 

 Zo eindigt het gedicht Het ware leven in Anneke Brassinga's gisteren gedoopte bundel Het wederkerige.

Woorden gaan op de loop. Met wat?

Zichzelf. Ons achterlatend.

Toch, ze vangt er wat. Doet ze in een jampot.

Dat gaat niet zonder wellust.

Het gedicht begint met de strofe:

 

 'Hoe mensen erin slagen vast te houden aan

de nergens op gestoelde onderstelling dat zij spreken

om belangrijke, zinvolle zaken bij te dragen

vond Novalis al in 1797 bewonderenswaard.'

 

  Zo ontsnapt dit gedicht. Op sleeptouw genomen door het werkwoord 'pondereren'. Waarvan de betekenis zich raden laat. Het gaat om overwegingen van gewichtige aard. 

Woord

 In vrijdagnachten kan het gebeuren dat op Radio 1 zomaar stemmen uit het verleden te horen zijn. Zo kan wie vannacht bij z'n radio inslaapt na drieën wakker worden bij stem en muziek van de onlangs overleden dich­ter Louis Leh­mann.

 Het nachtprogramma Woord brengt onder meer opnamen van hem met pianist Guus Janssen uit 1985, een interview uit 1986 en een Grieks lied waarbij Lehmann zich­zelf op de accordeon begelei­dt.

 Wat me brengt op het oude verhaal dat je onder bij­zondere atmos­ferische omstandigheden - zonnevlekken, het noor­derlicht - radioprogramma's van lang geleden kon opvan­gen. Die op bepaalde frequenties in eeuwigdurende weerkaat­sing bewaard bleven. Zo kon je opeens terecht komen in een wedstri­jdvers­lag van Han Hollander uit 1938 of Duitse legerbulletins uit de Tweede Wereldoorlog.

 Niet alleen Louis Lehmann is vannacht tussen twee en zeven te horen op radio 1, ook bijvoorbeeld Wim Kayzer in gesprek met Rudi van Dantzig en vele anderen. Vanaf morgen ook te downl­oad­en als podcast. 'Woord' is de aanloop naar het digitale Gesproken Woord-archief van de hele Nederlandse radio. Later meer.

Ondergronds

 Morgen is Arnon Grunberg terug in de Avonden, bij uitzondering op dinsdag. Wat me herinnert aan ons filmplan.

 We bedachten een film die geheel zou moeten bestaan uit beelden van bewakingscamera's. Omdat je op zo'n centraal paneel altijd minder ziet binnenkomen dan je zou willen. Steeds weer ontsnappende gestalten, schimmen. Zoekend naar catacombisch proza kwam ik bij 'Een metamorfinist' van Anneke Brassin­ga, in 1997 verschenen in het blad Raster en nu online:

 'Met regelmaat de gipssekssociëteit voor behaarde bejaarden bezoeken, in een ondergrondse parkeergarage. Uit de catacomben dag en nacht het vrolijk galmen van brekend gips en het orgiastisch gebrul van de aldus onthaarde bejaarden. Zelf een gipsontheffing hebben vanwege welig krullende schaam en baard. Die laten bij schroeien door een hoogpotig sletje met opgevoerde krultang onder haar leren opklaprokje. Goedkoper dan de kapper, en elke ervaring is een belevenis. Niet altijd de Himalaya hoeven beklimmen of huis opknappen. Op konen rozebot­telblosjes voelen gloeien, weer buiten staand, verkwikkende brandlucht snuiven. Nu eerst een uurtje Bloem lezen en dan naar Moeder, met haar in de rolstoel naar de pedicure. De uitgestoken eksterogen mee naar huis mogen nemen. Krenten in de pap. 'De trots om het vergeefse.'

Pagina's