Theo Thijssen

 Theo Thijssen is ‘gedundrukt’. Ik herlees hem. En wat me tegenstaat in de 'zwembadpas' is de zelfvertedering. De vertedering  waarmee Thijssen Kees de Jongen beschrij­ft moet wel voortkomen uit hoe hij terugkeek op zijn eigen jongensbestaan. Een kleinigheid daarbij is dat ik ook zelf de zwembadpas heb uitgevonden toen ik een jaar of elf was.

 Ik liep van school naar huis met klasgenoot Appie van der Sande. Langs het vierde veld van Quick Haag, waar hij vaak voetbalde. Ik zat niet op voetballen al wilde ik niets liever, Appie wel, die had het blauwe shirt met het haantje op de borstzak. Ik zat bij de welpen. Nog niet eens bij de echte verkenners met hun kaki shirts en hun hoeden.

 We hadden haast. En ik dacht aan het lopen van de verken­ners bij hun marsen. Zo moest je natuurlijk lopen. Dat ging veel vlugger.

 'Hee, zei ik tegen Appie, 'je loopt verkeerd, 'kijk zo moet het, dit is de verkennerspas.'

 En zo liepen we naar school, met zwaaiende armen, net als Kees de jongen. Ik verzin niks.

 Wat Theo Thijssen met zijn jeugdvertedering niet wist is waar het in het jongensbestaan echt om gaat. Om het meetellen. De schrijver die dat voorgoed heeft opgeschreven is Thomas Rosenb­oom.

 In zijn verhaal 'De buitenproef' uit zijn debuut 'De mensen thuis'. Daar is het echt alles of niks op de landjes, je bent daar iemand of voor altijd een lulletje rozenwater. De verterende angst waarmee Timon rondloopt 'buiten' is waar het om draait in een jongensleven. De vertederde Theo Thijssen wist daar niets van.