Kandinsky's kleuren

 Nu de lente losbreekt komt er kleur in het straatbeeld. Er ontluiken bloemen, vrouwen gaan lichte kleuren dragen als om het seizoen een handje te helpen. Het feest van de zintuigen. Ik lees 'Het geestelijke in de kunst' (1911) van Wassily Kandinsky (1866-1944) waarin het zien van kleur wordt vergeleken met het proeven van lekker eten.

 Hoe werkt kleur op ons in? Op straat zie ik veel zacht, mosterdachtig geel. En meteen mengen zich andere zintuigen in de ervaring. Het zijn zachtwollen pluistruitjes die geel zijn. De theorie van de Fin Pallasmaa steekt de kop op. Het samenspel van de zintuigen, van zien, voelen, ruiken, horen. Je zou zo'n theorie eerder van een modekoning verwachten.

 Kleur werkt fysiek op ons in, zegt Kandinsky. Van de oppervlakkige indruk tot de belevenis. Wat doet rood, de vuurkleur met ons? 

 'Het oog wordt meer en sterker door lichtere kleuren aangetrokken en nog meer en nog sterker door de lichtere, warmere kleuren: vermiljoen trekt aan en prikkelt zoals de vlam door de mens altijd  met begeerte wordt bekeken. Het schrille citroengeel doet het oog na langere tijd pijn, zoals het oor begint te tuiten van een hoog klinkende trompet. Het oog wordt onrustig, houdt de aanblik niet lang vol en zoekt verdieping en rust in blauw of groen.'

 En dan: 'sommige kleuren kunnen er ruw en stekelig uitzien,  terwijl andere juist als iets glads, zijdeachtigs worden ervaren zodat je ze graag zou willen strelen.' En zo gaat hij verder. Over 'geurende kleuren' en de klank van geel.

 Hans Driessen vertaalde dit in z'n laatste dagen voor Vantilt.