Hoe plooien vallen

 Er zitten twee kanten aan een plooi in een kledingstuk. Ener­z­ijds verhullen ze, anderzijds doen ze het omgekeerde, ze sug­gereren wat er onder schuilgaat. Dit ontmoet ik in het essay over plooival van Jeroen Stumpel in zijn 'Kleine geschiedenis van de kunst', een boek vol ontdekkingen waar je als museumbezoeker telkens weer van opkijkt.

 Hij geeft eerst een dialoog weer uit 1584 waarin museum bezoekende kenners in Florence commentaar leveren op de draperieën, de panni, rond de kneeën van figuren bij schilder Naldini, die ze te 'opgeblazen' vinden. En ja, ze hebben gelijk.

 Van de schilderkunst naar de gebruikte stoffen is maar een stap, die Stumpel brengt naar de 19de eeuw en Emile Zola's modehuis in 'Au bonheur des dames'. De paskamer is van alle tijden. Hoe 'valt' het?

 Waar kleren gedragen worden spreekt de 'visuele en sensuele aantrekkelijkheid van de eigenlijke stoffen' en daarin vallen plooien. Maar hoe? Er waren specialisten zoals de Antwerpse 'draperyman' Jozef Vanhaken, bij wiens begrafenis heel de schildergemeenschap meeliep.

 'Gemeten in kubieke centimeters is de grootste hoeveelheid verf zonder twijfel aan lappen en doeken besteed. Dat dringt gek genoeg niet meteen tot je door,' schrijft Stumpel, 'Toen ik voor het eerst tegenover Pontormo's Visitatie stond, duurde het een tijd voor het me begon te dagen dat ik voornamelijk draperie stond te bewonderen - prachtig bewegende, luchtig geplooide en eigenlijk wat onwezenlijke doeken, bekroond door de gezichten van Maria, Elisabeth en twee omstanders.'

 Het boek is een uitgave van 'Kunst en schrijven'.