Foebele

 Nog even. Mijn vader was dus leraar Duits. En ik zat op voetballen. Adspiranten 4e klasse D. Niet dat hij ooit kwam kijken. Ja, een keer. Daarna sprak hij laátdunkend over het 'foebele' als iets minderwaardigs.

 We spelen een uitwedstrijd. Voor de wedstrijd komt de scheidsrechter in z'n zwarte pak altijd even de kleedkamer binnen om de competitiekaarten te controleren. Een pasfoto en een stempel van de sportkeuring.

 En roept de namen af en moest je zeggen 'ík meneer'. En dan vergeleek hij je gezicht met de foto.

 Dan moet je nog even de noppen van je voetbalschoenen laten zien of er geen spijkers doorheen komen.

 Het was bij zo'n controle dat ik m'n naam zei. 'Noordhoek?' 'Ik meneer.'

 En dat achteraf de rechtsbuiten van de tegenpartij op me afkwam. En vroeg of ik de zoon van een leraar was. Ik zei ja, Duits? Ja Duits. Nog zie ik de schrikogen waarmee hij me aankeek: 'Is dat je vader?'