Dier

 Dieren gaan we steeds meer zien als mens, sinds L­orentz, Jane Goodall en Frans de Waal kennen we diercultuur. Rudy Kousbroek had een karper die Augustus heette en het prettig vond geaaid te worden. Bucephalus, het paard van Alexander de Grote kreeg een grafmonument.

 Eva Meijer die de roman Het vogelhuis schreef over een vrouw die van vogels houdt, maakte nu de bundel stukjes 'De soldaat was een dolfijn, over politieke dieren'.

 Diercultuur bestaat. Orang-oetans werken samen om uit dierentuinen te ontsnappen, politiehonden hebben in Engeland recht op pensioen. Groepen ganzen vechten grensconflicten uit met mensen.

 Dieren hebben aantoonbaar gevoelens en gedachten, maar volgens de wet is een dier nog steeds een rechteloos ding. Ik dacht ook aan de katholieke dieren van Gerard Reve. Er zijn mensen die zoiets begrijpen, de meeste niet.

 Er is geen harde grens meer die mensen scheidt van andere dieren.

 De Brusselse Schilder Thierry Poncelet (1946) is een van de makers van de hondportretten die mensportretten ridiculiseren. Je lacht om mensen, niet om honden.

 En Donald Trump is beter te begrijpen als hond, maar dan een pitbull die nog getemd moet worden. Hij blaft almaar, heeft geen baas, dus niemand zegt koest. De honden in de buurt blaffen terug, het houdt ons uit de slaap.