De trek naar zee

 Wie van Den Haag weet kent de trek naar zee. Naar de oneindigheid. Pas nog vond ik het bij W.G. Sebald die de onvoorzien lange wandeling van Hollands Spoor naar het Kurhaus maakt in De ringen van Saturnus, en daar op het strand in slaap valt. 

 Voor altijd staat het beschreven in Willem Mertens' Levensspiegel van J. van Oudshoorn (1914), lievelingsboek van Marcel van Eeden en mij. De verliefde, beschonken, verdwaasde Willem ploegt vanuit de stad door het mulle zand. Totdat:

 'Thans kon hij niet meer en zat blootshoofds in de zacht wuive­nde helm half verscholen op een der hoogste duinen. Voor hem was van de zee, hier en daar nog onderbroken door een duinkuif, het grauw blauw aan de horizon met de verschietende zonnesprenkels zichtbaar. Het licht verschraalde al en met een blik op zijn horloge bemerkte hij reeds meer dan drie uur onderweg te zijn. Hij voelde zich plotseling onbehagelijk  de geluidloze verlatenheid van het alom wijde landschap. Zelfs geen vogel ontplooide de gestrenge stilte en als enig gebeuren dreef een ontzaglijke wolk als een statig zeilschip langzaam door de leegte. Hij bevond zich als laatste der mensen op de scheiding der beide Rijken. De wereld der stervelingen was verdoemd, ten onder gegaan, de aarde zwart afgebrand. Maar aan zijn gelaat voltrok zich het eeuwige leven. (...)

 En dan:

 'Toen wist hij plotseling, dat niets ter wereld hem kon redden van de waanzin, dat hij reeds gek was en holde luid om hulp gillend, duin op duin af, tot de aanblik van het vrije strand met de eenzame figuur van een schelpenvisser hem uit zijn ban bevrijdde. Hij kwam langzaam tot zichzelf en wist nu zelf niet meer wat hij ervan denken moest.' 

 Zondag rijdt er een tram naar zee, met een boek.