Doppelte Fleischportion

 Duitsland, o ja Duitsland. Voor je het weet zijn ARD en ZDF, waar ik gisteren de hele dag naar keek, van de kabel geslingerd. We verstaan ze niet.

 Mijn vader en grootvader waren allebei leraar Duits. Nu oude ambachten als glasblazer of stoelenmatter. In hun hoogtijdagen kenden ze de Buddenbrooks van Thomas Mann uit het hoofd en droegen er hardop uit voor. Bleef de een steken dan ging de ander verder.

 Intussen zijn er meer Duitsers die Nederlands studeren dan omgekeerd en Duitse rugzaktoeristen spreken Engels met ons.

 Ik leerde het behalve op school in de omgang met Duitse bezoekers als Ludwig en Ursula, die in de zomer in Den Haag kwamen logeren als mijn ouders weg waren. Ludwig had Magenbeschwerden, bij veel gerechten klonk het 'nein das verträgt er nicht'. Ik leerde dat in Duitsland meer apotheken zijn dan waar ook ter wereld. En hoe belangrijk vlees en worst daar is.

 Onvergetelijk was de leraar Becker uit het platgebombardeerde Keulen met wie uit eten werd gegaan en die dan steevast een 'doppelte Fleischportion' bestelde. Immers, 'im Kriege' was hij veel tekort gekomen. Ken uw buren!

Jodocus en Jeremias

 Eric de Kuyper schrijf in zijn nieuwe boek 'Het samenspel tussen Dr.Jekyll en Mr.Hyde' uit ervaring over toneel, voor en achter de schermen. Ik leerde het, negen jaar oud, bij mijn eerste rol in het schooltoneel, die van de lakei Jodocus.

 Ik was de ene van twee komische lakeien. Klasgenoot Hans heette Jeremias. Er waren nog een koning, een konin­gin, een tovenaar, en een koor van zingende bomen. Maar wezen­lijk ging het stuk over twee lakeien.

 Pas op de dag zelf kwamen de lakeienpakjes. Ze pasten en waren prachtig. Groen voor Jodocus, roze voor Jeremias. Toen pas, met witte kousen en schoenen met gespen veranderde ik in Jodocus. Ik kreeg een wit pruikje op, het grimeren duurde lang.

 Het gordijn schuift open. Ik lig daar in het voetlicht, mijn hoofd op een fluwelen kussen met goudstiksel, en speel een slapende lakei. Ik snurk een beetje. 'Daar ligt er een te slapen,' hoor ik in de zaal. Het gaat goed, denk ik. Ik hoor ge­roezemoes van kinderen, ruik de geur van ouders.

 Jeremias moet Jodocus nu komisch wakker maken door hem een natte spons in het gezicht te duwen. We hebben het eindeloos gerepeteerd, met een droge spons. Daar is de spons. Jeremias heeft hem in de kleedkamer helemaal vol water laten lopen en treft me vol in het gezicht. De zaal lacht. Mijn pruikje valt af, de grime druipt in mijn ogen. Ik ben niet langer Jodocus. 

Tags: 

Emanuel de Witte’s kerklicht

 Emanuel de Witte (ca. 1616-1691) was bovenal dramaturg, zag ik vanmiddag in het Alkmaars Museum. Op zijn doeken licht hij een filmset uit. Zet figuranten neer, vaak ook kinderen of hondjes als bijrolletjes, zetstukken. Zijn ideale decor is een gothische kerk.

 Waar alles de hoogte in reikt. Terwijl zonlicht, net als in dit jaar­getijde vrij laag binnenvalt. Schaduwen te over. De schilder als belichter.

 Ook anders dan bij Saenredam is het vele volk over de vloer. Je ziet De Witte als een Cecil B. Demille met een scheepsroeper zijn personages dirigeren. Naar die ene lichtbundel die net op ze moet vallen.

 Niet dat het licht werkelijk zo viel. Bij De Witte staat licht in dienst van zijn - soms gefantaseerde - kerkvoorstelling. Deze regisseur zal heus niet dagen hebben gewacht op een ideale lichtval. Die zat in z'n palet.

 Toch lijkt veel kerkarchitectuur gemaakt voor hem. Zoals de Amsterdamse Oude Kerk, waar zoveel soorten direct en indirect licht binnenvallen. Van zoveel kanten, direct of juist getemperd door glas of weerkaatsing.

 Gebeurt er dan ook iets? Nee, zo goed als niets. Een hond pist tegen een pilaar. Men wandelt wat rond, maakt een praatje. Soms is er een dienst maar daar stoort men zich niet aan.

 De Witte schilderde in deze Calvinistische tijd soms ook gefantaseerde katholieke kerken. Misschien voor opdrachtgevers, maar vast ook omdat hij plezier had in de katholieke eredienst. Daarom heeft het protestantisme het tenslotte toch moeten afleggen. Slechte voorstellingen.

Spelen

 Eric de Kuyper schreef een aanstekelijk boekje over acteren: 'Het samenspel tussen Dr. Jekyll en Mr. Hyde'. Hij acteerde zelf en schreef veel over film en toneel.

 Toneelspelen heet niet voor niets zo. Je speelt als kind al dat je een ander bent. Acteurs als Dirk Bogarde werden schrijver, omdat ze zich hadden leren inleven. Andersom worden schrijvers graag weer spelend kind. Rudy Kousbroek maakte zijn katapult, W.F.Hermans repareerde zijn vloeistofduplicator. De tekst deed er niet toe: 'O wat had die beer een honger, o wat had die beer een dorst. Gauw een glaasje limonade en een boterham met worst.' Als de duplicator maar werkte. Net als in de hoorspelstudio waar kreukend papier knetterde als vuur, veel beter dan opgenomen echt vuur, Een wiebelende plaat ijzer is nog steeds het beste onweer.

 Als kind leerde ik na Nederland-België de straat op te rennen en een spelersnaam te claim­en. Riep je als eerste 'Ik ben Faas Wilkes' dan was je hem. Zo voetbalden wij als het Nederlands elftal verder.

 Wat De Kuyper schrijft over zijn tante Jeannot, die zo graag naar het theater ging is zo waar: ook de weg erheen en terug hoorden bij de voorstelling. We acteren alle dagen. Soms neemt een rol je over. Toen ik 'The remains of the day' had gezien was ik op de terug­weg veranderd in Anthony Hopkins als butler. 'Of course mylady.'

Fantastische vrouw

 Alles kan anders zijn. Daarvan raak je kijkend naar de Chileense film ‘Una mujer fantastica’ scene na scene meer overtuigd. Niets spreekt vanzelf.

 Niet alleen omdat het meisje Marina een jongen is die meer meisje is dan menige vrouw, ook om de reacties van betrokkenen. Alleen de hond Diabla maakt het niet uit, die blijft dan ook als bondgenoot over.

 De 57-jarige Orlando heeft een liefdesrelatie met de transseksuele Marina. Als Orlando sterft aan een plotselinge her­senbloeding waarbij hij van de trap valt komen de autoriteiten in het geweer. Die reageren net als hier. Is er misdaad in het spel? Nee, en nog meer nee.

 Dat het liefde zou kunnen zijn komt niet bij ze op.

 Regisseur Sebastian Lelio blijft stijlvast. Aan wat in de wereld niet kan en mag houdt Marina met grote volharding vast. Daniela Vega overtuigt met mimiek en lijf als hij/zij. Zijn/haar liefde ook. Dat ze met een prachtige countertenor klassiek zingt helpt daarbij.

 Dat de familie van Orlando hem wil cremeren zonder de geliefde erbij is gewoontjes. Tot en met hun gewelddadigheden. Maar dan hebben ze buiten de liefde gerekend, die reikt tot bij de crematieoven.

Snikken en grimlachjes

 Het is zo'n titel die altijd bij je blijft, net als de naam Piet Paaltjens, pseudoniem van Francois Haverschmidt (1835-1894). De gedichten hoeven dan niet eens meer geschreven te worden. Mooi is ook hoe Haverschmidt bij de bleke dichter Paaltjens een heel leven, inclusief mysterieuze verdwijning verzon.

 Zoals in de titel van een goed liedje alles al zit. Van de gedichten van de Leidse student Paaltjens (1867), nu weer mooi heruitgebracht bij uitgeverij Lalito, zijn er vrij veel tot vandaag overgebleven. 'Aan Rika', dat opent met:

 'Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart/ Gezeten in een sneltrein, die de trein,/ Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart./ De kennismaking kon niet korter zijn.'

 Ja, ook toen al stelde je je binnen een paar seconden een heel leven met zo'n meisje voor.

 En de 'De zelfmoordenaar', hangend aan een tak, die een vrijend paar in het bos ontdekt als er een laars naar beneden komt. Er staat:

 'In een wip was de lust/ Om te vrijen geblust/ Bij het paar/ 't Zag van schrik zo spierwit/ Als een laken wen dit/ Reeds een dag op het gras ligt te bleken.'

 Is dit leuk? Men vond van wel.

 Haverschmidt werd een ernstige dominee, leed aan depressies en hing zich tenslotte ook werkelijk op, aan het gordijnkoord van zijn bedstee. 

Naamplaatjes

 Als kind intrigeerden me de naamplaatjes naast de deur en de bel. Hun lettertypen, het materiaal. En de namen. Elke dag liep ik langs E.E.H.Hoen. Die ik nooit in het echt zou zien. Een vriendje voerde me mee naar de Hyacintstraat en wees op een wit houten bord in een voortuin waarop stond W.C.van Spronsen.

 Eenmaal in Amsterdam moest ik naar ijzerwinkel Dijns aan de Overtoom voor mijn eerste eigen naamplaatje. Voor mij werd een Amsterdamse vrouw geholpen, die ook om een naamplaatje kwam. 'En wat moet er op komen te staan,’ vroeg de man in stofjas.

 'J.Pot,' zei de vrouw. Hij liet het haar herhalen. en zei toen: 'J.Pot, wat een rotnaam.'

 'Kan ik het helpen dat die man zo heet.'

 Dit kwam boven toen ik het gedicht van Piere Kemp (1886-1967) las dat 'VAN DER KLEUREN' heet:

 'De zon begint de plaatjes weer te lezen

op de deuren,

glimlacht om de namen naar hun wezen

en fluistert: hier is er geen.

Maar hier woont Van der Kleuren

en die is nooit alleen.

Doopt hij de kleuren in het water

zij worden nimf en hij is sater.

Houdt hij de kleuren naar het licht,

'Kets' zegt de vonk en wordt gedicht.

En slaapt die kleurenzuchtige man?

Van kleuren zonder kleren droomt hij dan!'

 

En toen kwam zijn 'DICHTERSCHEMERING' (1958)

 'Het wordt erg stil om mij.

Alles rond me begint te lopen

op kussens. De zon, de bomen,

de bloemen staan gordijnen te kopen.

De muziek rijdt al in flessen voorbij.

Het duurt niet lang meer met mij.'

ps. Zojuist verscheen bij Vantilt 'Het regent in de trompetten', de mooiste gedichten van Pierre Kemp

Tags: 

Brakmans oorlog

 Brandstof en voedsel, daar ging de oorlog in Nederland over. In De Parelduiker geeft Nico Keuning een voorproef van de Willem Brakman-b­iograf­ie waar hij aan werkt. Over diens enige oorlogsroman 'Debielen en demonen'.

 Geen spanning, sensatie of heldendom maar kou. Zijn vader sleept uit de wijde omgeving brandhout aan naar de Haagse Elsstraat, zijn moeder gaat op voedseltocht. De op een vals persoonsbewijs ondergedoken Willem studeert voor dokter in de laatste oorlogswinter. 'De kou slaat van elke bladzijde,' schijft Keuning. En in het boek staat: 'Wie koud leeft, leeft lang, maar voor het leren was de kou niet bevorderlijk. Zolang het maar bij handen en voeten bleef ging het nog wel, maar wanneer hij zich eenmaal in de buurt van mijn maag had genesteld dan werd ik slaperig en suf. Vaak dommelde ik dan boven mijn boeken in om weer wakker te schrikken in een doodstille wereld, verstijfd, versteend en met hoofdpijn.'

 Willem moest en zou dokter worden. Vooral zijn moeder, de verpleegster, had er alles voor over.

 ' Ergens was de oorlog, hij was niet te zien maar men sprak erover, de echte oorlog van staal op staal en waarbij bloed in de aarde sijpelde. Miljoenen soldaten vochten, maar er was er niet een te zien en er was niets van te horen.' 

 Hij heeft erotische fantasieën over een zwakzinnig meisje in de straat: 'In het hoofd van debiele mensen, las ik, is iets helemaal mis, de hersenvliezen zijn te droog, de hersenkanaaltjes veel te nauw. Van binnen ziet hun hoofd eruit als een vermolmde okkernoot, alles bruin en zacht en als ze denken doet dat pijn.' 

Tags: 

Sabbat

 Steeds vaker zijn Israëlische films te zien over de benauwenis in een orthodox land. Er zijn tegenbewegingen. De orthoxen moeten zelfs in dienst straks en zijn niet langer vrijgesteld om te bidden.

 In het nieuwe nummer van tijdschrift Extaze staat wat een voorpublicatie lijkt van een roman van de Israëlische Ishana Sayag, daar geboren, nu woonachtig in Almere. Ze leerde Nederlands en schrijft er nu in. De hoofdfiguur is met man en kind op 'vakantie' bij haar ouders in Israël, het is sabbat. Vader en dochter gaan nog een eindje rijden:

'En voor vijf uur terug zijn. goed? De sabbat begint om half zes.'

 'Jaja,' zeg je knorrig. Vorige week klaagde je erover dat op vrijdagavond opeens alles verboden is: je mag het licht niet aanknippen, de tv niet aanzetten, geen water koken. Nee, dat moet je doen met het water uit de elektrische thermoskan met tien liter, die de hele week aanstaat en voor jou niet heet genoeg is (vaarwel koffie, weg hete muntthee). Op het toilet mag je zelfs het wc-papier niet afscheuren, maar moet je gebruikmaken van de doos tissues (alsof toiletpapier scheuren werk is). En je moet gedoucht en netjes aangekleed zijn voordat mijn vader terugkomt van de synagoge. En waarvoor? Voor het gezamenlijk sabbatdiner dat mijn vader met een ratelend gebed inleidt (heeft God haast?), een diner waarbij je bepaalde onderwerpen niet mag aansnijden (...).

 Vader en dochter keren niet tijdig terug van hun ritje. De spanning loopt op. 't Wordt een mooi romandebuut. 

Tags: 

Beeldverhalen in Diepenheim

 Steeds weer doemt de strijd op tussen de tekening en het schil­d­erij. Terwijl ze toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Lange tijd was de tekening niet meer dan voorstudie, maar geleidelijk wordt hij in deze dagen weer een genre apart.

 De waarheid zit in de punt van een potlood luidt het oude gezegde. Tekenen dwingt tot directheid en eenvoud. Maar Marcel van Eeden zei me vanmiddag bij de opening van zijn tentoonstelling in het Diepenheimse Drawing Centre, waarvoor hij ook collega tekenaars uitnodigde: 'Vreemd, ik word nooit gevraagd voor de Stripdagen, terwijl ik toch beeldverhalen maak.' 

 Het blijven twee werelden. Marcel werd opgeleid aan een academie en ingedeeld bij de ernstige beeldende kunst.

 Daarom wellicht laat hij in Diepenheim nu - ook - prenten en series zien die dichter bij Robert Crumb staan dan bij hem. Zoals Cedric ter Bals (1990) die verwant is met Herge. Maar ook Maartje Schalkx, die op het lumineuze idee kwam om het kader van het fotograferende zaktelefoontje te gebruiken. Als was het een stripplaatje. 

 Het beeldverhaal met z'n vertellende opeenvolging van scenes, ook binnen een doek, bestaat al sinds de Middeleeuwen. Raken dan weer los van elkaar en naderen elkaar weer.

 Verhaal en beeld zijn tot elkaar veroordeeld.